| spotlight | ||||||||
|
|
|
|||||||
|
Is Nederland ondernemend genoeg?Berry Veldhoen
Voor dit artikel is ter voorbereiding en inspiratie o.a. gesproken met Prof. Drs. Ing. Henk Gianotten (directeur EIM), Joop de Jong (directeur Growth Company) en Henk Vink (Stichting Jong Ondernemen). Feiten en observaties rond ondernemerschap1. Ondernemerschap wordt veelal economisch bestudeerd: “Entrepreneurship is central to the functioning of market economics. Entrepreneurs are agents of change and growth in a market economy…” (OECD).
2. Nederland loopt met 5% snelle groeiers achter op het Europese gemiddelde van 10%.
3. Definitie van snelle groei is minstens 20% groei per jaar (personele groei gecombineerd met omzet). Joop de Jong geeft aan dat snelle groeiers vooral voorkomen in de maakindustrie, detailhandel, logistiek en technologie. Karakteristieken van deze snelle groeiers: - Zijn vaak (slim) met technologie bezig. - Zijn planmatig in hun strategische besluitvorming en gebruiken daarvoor zeer concreet gedefinieerde toekomstsituaties op mijlpaalmomenten: over 1, 3, 5 en 10 jaar. - Directeuren/ eigenaren (35-45 jaar) komen meestal van grotere organisaties of hebben ervaring. - Zijn bedrijven van tussen de 5 en 15 jaar, tussen 10 en 1000 medewerkers. - Concentreren zich vrij sterk op hun kernactiviteiten en aarzelen niet om vernieuwingen door te voeren (knopen doorhakken). - Zijn bereid hoge investeringen te doen voor proces- en productontwikkeling. - Zijn gericht op samenwerking en bereid tot overnames en deelnames.
4. Nederland is qua werkgelegenheid sterk afhankelijk van dienstverlening. In 2005 is ca. 60% van de werkgelegenheid in “commerciële diensten” met industrie als goede tweede (ca. 17% volgens NRC/CPB en ca. 25% volgens Van der Leegte als de aan de industrie gerelateerde werkgelegenheid wordt meegeteld). De overheid zit overigens boven de 10% van de werkgelegenheid.
5. Nederlanders werken efficiënt; zo is de Nederlander per uur (enkele procenten) productiever dan de Amerikaan. Per hoofd is de productiviteit echter aanzienlijk (20%) lager. Dit lijkt vooral te maken te hebben met het feit dat Amerikanen per persoon meer uren werken (bron: NRC/ CPB)
6. Meerdere bronnen wijzen op het belang van het onderscheid tussen ondernemerschap in statische zin en in dynamische zin; ”Statisch” betreft het aantal ondernemingen. Op dit punt loopt Nederland, internationaal gezien, in de pas. Zo is zowel in Nederland als in de V.S. ca. 10% van de beroepsbevolking werkzaam als zelfstandig ondernemer (SMO). Naast deze statische beoordeling is de beoordeling van dynamisch ondernemerschap van groot belang: het betreft dan de volgende maatstaven (bron SMO/EIM): - Aantal pogingen tot oprichting van ondernemingen - Bruto groei van het aantal ondernemers - Turbulentie: som van oprichtingen en opheffingen
7. In de V.S. is het aantal “pogingen tot ondernemen”(onderdeel dynamische beoordeling) twee(!) maal zo hoog als in Nederland (SMO). Deze indicatie dat Nederland minder scoort op de dynamische aspecten van ondernemerschap wordt bevestigd door een OESO studie uit 2004 (onder haar lidstaten, zie SMO) waar Nederland relatief laag scoort op de index voor “nieuw ondernemerschap”. Nederland zit hier op ongeveer hetzelfde (laagste) niveau als Duitsland, Finland, Italië, Hongarije, Portugal, Zweden en België. Dit niveau ligt lager dan landen als bijvoorbeeld; Ierland, Polen en Canada (bijna 80% hogere index) en bijvoorbeeld USA (120% hogere index) en bijvoorbeeld Nieuw-Zeeland (200% hogere index). Japan staat overigens op een “eenzame”, laagste positie op deze index.
8. Diverse onderzoeken tonen aan dat financiële motieven van ondergeschikt belang zijn bij het starten van een onderneming. Het “eigen baas zijn” (ca. 30%) is veruit het belangrijkste startmotief met “uitdaging” als goede tweede (15%).(Bron: SMO).
9. Naast de genoemde , positieve ambitie om te ondernemen spelen ook (negatieve) belemmeringen een rol voor de mate van dynamisch ondernemerschap van een land of sector. Deze zgn. “Opportunity costs” bestaat uit factoren als: - Mogelijkheid om personeel tijdelijk in dienst te nemen - Ontslag beperkingen - Pensioenleeftijd - Sociale zekerheid etc.
10. Van der Leegte voegt hier nadrukkelijk belemmeringen op terreinen als: infrastructuur/ ruimtelijke beperkingen, wet- en regelgeving, gebrek aan opleiding/ vakmanschap aan toe, voor m.n. de maakindustrie. Deze factoren werken twee kanten op als iemand overweegt een onderneming te beginnen; wat moet ik opgeven (inkomen, zekerheid, etc.) en hoe moeilijk zal het zijn om daadwerkelijk succesvol en met acceptabele risico’s te ondernemen? Door diverse overheidsmaatregelen lijken op dit moment deze “opportunity costs” te dalen hetgeen gunstig zou zijn voor het (dynamische) ondernemerschap. Van der Leegte vindt overigens dat de overheid voor m.n. de maakindustrie (en het ondernemerschap daarin) nog veel verder en sneller moet gaan met het verminderen van deze belemmeringen. Zoals eerder opgemerkt kent de industrie al relatief veel snelle groeiers. Verdere stimulering van deze sector lijkt dus kansrijk.
11. Deze genoemde verbetering/ verlaging van genoemde “opportunity costs” (door m.n. de overheid) lijkt samen te vallen met de paradoxale observatie (o.a. door SCP directeur Paul Schnabel in NRC) dat Nederlanders in enquêtes zeggen zélf gelukkig te zijn, maar dat ze voor het land de toekomst somber inzien; “… wat de socioloog Bram van Stolk ‘de gemoedsrust van de verzorgingsstaat’ heeft genoemd, dat is weg… .” (P. Schnabel). Deze “gemoedsrust van de verzorgingsstaat” zou juist te maken kunnen hebben met de besproken opportunity cost: De verzorgingsstaat staat hier dus op gespannen voet met het scheppen van goede condities voor ondernemerschap. Tegelijkertijd heeft ondernemerschap alles te maken met (economische) groei die weer kan leiden tot voorzieningen in de verzorgingsstaat. Weer een paradox of eerder een kwestie van balans?
Tot slot de volgende observaties:
12. Het aantal ondernemers met de volgende kenmerken neemt sterk toe in Nederland (SMO): - Vrouwelijke ondernemers - Deeltijd ondernemers - Senioren ondernemers - Etnische ondernemers - ZZP-ers (Zelfstandigen Zonder Personeel) Deze ontwikkelingen werpen een nieuw, meer veelzijdig licht op “de ondernemer”.
13. Ondernemers netwerken in toenemende mate (SMO): - 60% van de kleine bedrijven (minder dan 10 werknemers) en 80% van middelgrote bedrijven (10-100 werknemers) heeft 5 of meer strategische partners. - 8% van het MKB betreffen spin-offs en spin-outs van (grotere) ondernemingen. Deze laatste observaties geven vanzelfsprekend een aanvullende blik op (dynamisch) ondernemerschap.
Van feiten en observaties naar (persoonlijke) conclusies
Ik weet niet wat u het meeste raakt in voornoemde feiten. Mijn “winning thoughts” zijn de volgende; Nederlanders zijn persoonlijk gelukkig, maar hun “beschermde” gevoel neemt af, net als de verzorgingsstaat. Je hoort vaak “… Nederland veramerikaniseert…”. De gemiddelde Nederlander versombert hierdoor over de toekomst van Nederland. Ondernemende Nederlanders zien dan echter juist minder belemmeringen. Als zij ook voldoende makkelijk van hun persoonlijke verworvenheden durven/kunnen afscheid te nemen, dan zou Nederland meer nieuw ondernemerschap kunnen laten zien en beter scoren op het belangrijke aspect van dynamisch ondernemerschap?! Maar we hebben toch internationaal gezien, “voldoende” ondernemers?, hoor ik u denken. Het feitelijke aantal op dit moment wel, maar wat is de dynamiek en kwaliteit van deze ondernemerspopulatie? Genoeg voor een Nederlandse toppositie in de komende decennia? Hier begint mijn persoonlijke twijfel. Ook Prof. Drs. Ing. Henk Gianotten twijfelt hier. Zijn zorgpunt is evenzeer het te lage dynamische karakter van ondernemerschap in Nederland. Hij wijst (op basis van diverse EIM-onderzoeken) op de normale cyclus in economische ontwikkeling waarbij een nieuwe fase van inkomensstijging alleen mogelijk is wanneer er eigentijds, nieuw ondernemerschap ontstaat. In zijn – en mijn – opinie zal dit nieuw ondernemerschap niet of nauwelijks uit verdergaande kostenbeheersingmodellen van (bestaand) aanbod voort kunnen komen (het zgn. commoditeren) maar veel meer gestalte moet krijgen door differentiatie in vraag- en aanbodstructuren. Onderscheidende waardecreatie via differentiatie en nieuwe product- en serviceproposities. Dit zowel in (zakelijke) dienstverlening als ook in de industrie. Hiertoe is eigentijds ondernemerschap noodzakelijk dat zich kenmerkt door creativiteit en innovatie gekoppeld aan snelle implementatie van nieuwe producten en services die inspelen op (vaak verborgen) behoeften van klanten en consumenten. Maar ook een nieuwe, brede, open kijk op waar deze (ondernemers) eigenschappen kunnen worden toegepast in Nederland maar ook in de netwerken daaromheen.
Terug naar de “kwaliteit” van het huidige ondernemersbestand; het lijkt er dus op dat er (te)veel ondernemers zijn die niet (of nog niet) zorgen voor de noodzakelijke vernieuwing van de maatschappij en de groei van de economie. Bovendien is er nog te weinig “turbulentie” (pogingen/ overwegingen) rond nieuw, intredend ondernemerschap.
Bij het doordenken van het voorgaande wil ik u één van de “klassiekers” op dit terrein van innovatie en ondernemerschap, niet onthouden. Schumpeter schreef al decennia geleden: “…Successful entrepreneurs, however, are innovators, because they spot possibilities that others miss, or take on risks that others decline, or both. A society that doesn’t encourage entrepreneurial culture won’t generate the economic energy that comes from the most creative ideas. Social and civic entrepreneurs are just as important as those working directly in a market context, since the same drive and creativity are needed in the public sector, and in civil society, as in the economic sphere’. Such a possibility of entrepreneurship in a broad sense – the creative stream and energy of a society – allows to widen research attention to so-called social entrepreneurs (see also Leadbeater, 1997), but also to cultural, voluntary, civic, ecological entrepreneurs ….”
Deze fundamentele, maar nog steeds revolutionaire, open blik op ondernemerschap legt dus de nadruk op innoveren en ondernemen als mogelijkheid voor iedereen, overal! Ook M. de Certeau stelde al in 1984 (in zijn “the practice of Everyday life”, Berkely, University of California, zie C. Steyaert) dat: “… with him (de Certeau), we conceive of entrepreneurship as a practice of everyday creativity ……the people are the entrepreneurs. They are the users and the consumers, not in the habitual, passive and docile way but in a creative, tactical way …”.
In dit voor Nederland revolutionaire denken kan innovatie en nieuw ondernemerschap op zeer veel verrassende plekken in de maatschappij opduiken. Pogingen tot ondernemerschap worden vanzelfsprekend en zelfs een kunst op zich en krijgt maatschappelijk aanzien. Innovatie niet zozeer als “Willy Wortels” maar als permanente zoektocht naar nieuwe oplossingen en verrassende combinaties van producten, diensten en klanten of gebruikers. Het elan dat hierbij hoort gaat veel verder dan prestaties van bijvoorbeeld een innovatieplatform, hoe goed bedoeld dan ook. De overheidssupport zou – naast het doorzetten van het eerder genoemde verlagen van de “opportunity costs” – veel meer moeten liggen op “Nederland gaat (meer) ondernemen” in analogie met de campagne van enkele jaren geleden: “Nederland gaat digitaal”. Uiteenlopende (bijna) ondernemersplatformen in plaats van een innovatie platform. Het naar voren halen van uiteenlopende ondernemersinitiatieven (van commercieel tot non-profit) zou veel centraler in de media moeten staan. Deze media-aandacht zou vrijgemaakt kunnen worden uit de huidige (te) hoge aandacht voor grote beursgenoteerde ondernemingen. Alleen als dergelijke ondernemingen innovatieve, organische groei vertonen verdienen zij (extra) aandacht. Dit duidt immers op ondernemerschap in of rond deze ondernemingen. Of zoals de bekende Tom Peters onlangs in een speech meldde: “… Wall Street penalizes organizations, unless they show organic growth…”. In feite dus alleen aandacht voor (grote) ondernemingen als zij ondernemerschap laten zien. Nederland weer als (internationaal) gidsland in plaats van somberend, en weer befaamd als handelsnatie. De “handel”van de toekomst bestaat dan echter uit handel in kennis en ideeën die door ondernemers en ondernemende bedrijven worden omgezet in klinkende munt. Hier lijkt zeker plaats voor alerte industrie. Industrie die niet alleen “maakt”, maar zeker ook service en toegevoegde waarde mogelijk “maakt”. Tezamen met een creatieve, ondernemende dienstverleningssector en een overheid die ondernemerschap enthousiasmeert en faciliteert zou Nederland weer op de zo vurig gewenste toppositie kunnen komen. Top dan niet alleen naar huidige economische maatstaven maar zeker ook gemeten naar nieuwe sociale maatstaven; gelukkig én opwekt, gedurfd én gezellig; masculien én feminien; klein én maatgevend (gids); kennis én maken. Deze échte, nieuwe economie zou vanzelfsprekend ook zijn “roots” moeten krijgen in de jeugd (die zoals bekend “de toekomst heeft”). In dat kader zouden initiatieven zoals die van de Stichting Jong Ondernemen, waarbij op MBO- en Hbo-niveau studenten worden voorgelicht en gestimuleerd in ondernemerschap (en waarbij ook daadwerkelijk “mini-ondernemingen worden opgezet als leermethode) sterk verbreed en geïntensiveerd kunnen worden. Jongelui denken dan niet alleen aan carrières in (grote) organisaties maar dromen van hun ondernemersinitiatief. Ik wil afsluiten met een definitie van ondernemen:
Ondernemen= dromen én managen.
Berry Veldhoen, oktober 2005, bveldhoen@altuition.nl
Geraadpleegde literatuur: - “Maatschappelijke urgentie van ondernemerschap” (SMO, mei 2005) - “Het geluk van Nederland” (NRC 2005) - Diverse interviews/ columns door Wim van der Leegte (President-directeur VDL Groep) - “Creating worlds: political agendas of entrepreneurship” (Chris Steyaert, ESBRI–Stockholm, 2000) - “Capitalism, Socialism and Democracy” (Schumpter, New York 1970) - “Fostering Entrepreneurship (OECD, PARIS 1998).
reacties
|
||||||||












